Leren

De patronen achter cijferreeksen

Bijna elke reeks valt onder één van deze categorieën. Herken je het type, dan weet je vrijwel meteen welke berekening je moet doen.

Verdubbelende verschillen

5 — 8 — 15 — 30 — 61 — ? — ?

Antwoord: 124, 251

Tel telkens een steeds groter wordend getal op: +3, +7, +15, +31, +63, +127. Dus 61 + 63 = 124, en 124 + 127 = 251.

2 — 5 — 11 — 23 — 47 — ? — ?

Antwoord: 95, 191

Verschillen verdubbelen: 3, 6, 12, 24, 48, 96. Dus 47 + 48 = 95, en 95 + 96 = 191.

Vermenigvuldigen + afnemende optelling

5 — 15 — 34 — 71 — ? — ?

Antwoord: 144, 289

Vermenigvuldig met 2 en tel een afnemend getal op: ×2+5, ×2+4, ×2+3, ×2+2, ×2+1. Dus 71×2+2 = 144, en 144×2+1 = 289.

Dubbele/overlappende reeks

4 — 9 — 7 — 15 — 12 — 24 — ? — ?

Antwoord: 19, 36

Dubbele reeks. Oneven posities: 4, 7, 12, 19 (+3, +5, +7). Even posities: 9, 15, 24, 36 (+6, +9, +12). Dus 19 en 36.

4 — 9 — 7 — 16 — 10 — 25 — ? — ?

Antwoord: 13, 36

Twee overlappende reeksen. Oneven posities: 4, 7, 10, 13 (+3 telkens). Even posities: 9, 16, 25, 36 (+7, +9, +11). Dus 13 en 36.

Vermenigvuldigen + groeiende aftrekking

6 — 10 — 21 — 53 — ? — ?

Antwoord: 148, 432

Vermenigvuldig met 3 en trek een steeds groter getal af: ×3−8, ×3−9, ×3−10, ×3−11, ×3−12. Dus 53×3−11 = 148, en 148×3−12 = 432.

Afnemende vermenigvuldiging

4 — 15 — 55 — 160 — ? — ?

Antwoord: 315, 310

Vermenigvuldig met afnemend getal en trek 5 af: ×5−5, ×4−5, ×3−5, ×2−5, ×1−5. Dus 160×2−5 = 315, en 315×1−5 = 310.

Afwisselende operaties

4 — 28 — 22 — 110 — 106 — ? — ?

Antwoord: 318, 316

Wissel ×n en −n af: ×7, −6, ×5, −4, ×3, −2. Dus 106×3 = 318, en 318−2 = 316.

4 — 20 — 14 — 70 — 64 — ? — ?

Antwoord: 320, 314

Wissel ×5 en −6 af: 4×5=20, 20−6=14, 14×5=70, 70−6=64, 64×5=320, 320−6=314.

6 — 12 — 9 — 18 — 15 — 30 — ? — ?

Antwoord: 27, 54

Wissel ×2 en −3 af: 6×2=12, 12−3=9, 9×2=18, 18−3=15, 15×2=30, 30−3=27, 27×2=54.